Een havenbedrijf wordt geconfronteerd met miljoenenclaims van schuldeisers wegens gebrekkige constructies en openstaande havenrechten. Begin 2021 verkoopt de onderneming plots haar volledige handelsfonds aan een zustervennootschap. De opbrengst van 1,5 miljoen euro wordt vrijwel onmiddellijk gebruikt om een lening bij een ándere zustervennootschap razendsnel terug te betalen. Hierna blijft het bedrijf achter als een lege huls zonder activiteiten, wordt het in 2023 formeel vereffend en uiteindelijk in 2025 failliet verklaard.
De curator vordert nu om de ‘datum van staking van betaling’ stevig te vervroegen naar begin 2021, omdat er sprake zou zijn van een bewuste ‘sterfhuisconstructie’.
𝗩𝗲𝗿𝘄𝗲𝗲𝗿𝗺𝗶𝗱𝗱𝗲𝗹𝗲𝗻
De voormalige bestuurder verweert zich krachtig en ontkent elk opzet om schuldeisers moedwillig te benadelen. Hij stelt dat de schadeclaim van 12 miljoen euro in 2021 nog totaal onverwacht was en dat men toen nog steeds uitging van een continuïteitsscenario.
Volgens hem waren er op het moment van de terugbetaling aan de zustervennootschap absoluut geen structurele liquiditeitsproblemen. Bovendien betoogt hij dat de vorderingen van de klagende schuldeisers op dat specifieke moment nog helemaal niet vaststaand of opeisbaar waren.
𝗣𝗿𝗶𝗻𝗰𝗶𝗽𝗲𝘀
De rechtbank verduidelijkt de strenge regels van artikel XX.105 van het Wetboek van Economisch Recht. Zodra een onderneming haar volledige handelsfonds overdraagt en elke economische activiteit staakt, is er juridisch gezien sprake van een ‘feitelijke vereffening’.
Wanneer de overgebleven liquiditeiten in deze fase vervolgens louter worden aangewend om verbonden vennootschappen bij voorrang te betalen, wijst dit op de uitdrukkelijke bedoeling om andere schuldeisers te benadelen. Om dit soort rangdoorbrekende schijnconstructies aan te pakken, laat de wet toe om de datum van staking van betaling te vervroegen naar de start van deze feitelijke vereffening.
Dat de benadeelde schulden op dat moment eventueel nog betwist werden, is daarbij volstrekt irrelevant.
𝗕𝗲𝘀𝗹𝘂𝗶𝘁
De ondernemingsrechtbank stelt de curator volledig in het gelijk. De datum van staking van betaling in het faillissement wordt officieel vervroegd naar 1 februari 2021. Hierdoor valt de verkoop van het handelsfonds in de verlengde ‘verdachte periode’, wat de curator toelaat om deze handelingen gemakkelijker aan te vechten ten voordele van de benadeelde schuldeisers.
De gerechtskosten van de procedure vallen ten laste van de failliete boedel.
Het volledige vonnis vindt u hier.





