Op 15-1-2026 heeft het Grondwettelijk Hof zich uitgesproken in een zaak die betrekking heeft op de openbaarheid van bestuur.
Het Hof diende zich uit te spreken over een prejudiciële vraag die door de Raad van State was gesteld in een geschil tussen een freelance onderzoeksjournalist en de Vlaamse Beroepsinstantie inzake openbaarheid van bestuur. Volgens de onderzoeksjournalist zouden er geen absolute weigeringsgronden mogen bestaan die door overheden kunnen worden ingeroepen om bestuursdocumenten te onttrekken aan de openbaarheid.
De vraag die aan het Grondwettelijk Hof door de Raad van State was voorgelegd hield verband met de draagwijdte van het beroepsgeheim van de advocaat. Zowel de Vlaamse regering als de ministerraad waren voor het Grondwettelijk Hof de mening toegedaan dat het om een absolute weigeringsgrond gaat. Het Grondwettelijk Hof heeft zich aangesloten bij het standpunt van beide regeringen maar waarschuwt wel dat de Vlaamse beroepsinstantie in staat moet zijn om te beoordelen of de achtergehouden bestuursdocumenten wel degelijk onder het beroepsgeheim van de advocaat vallen.
In het arrest van 15-1-2026 wordt dit als volgt geformuleerd: “Net zoals de overheidsinstantie die in eerste aanleg heeft beslist, moet de Beroepsinstantie aldus beoordelen of het beroepsgeheim van de advocaat van toepassing is op het betrokken administratieve document en of dat laatste gedeeltelijk openbaar kan worden gemaakt. Dit veronderstelt ook dat de Beroepsinstantie, waarvan de leden en het secretariaat aan het in artikel 458 van het Strafwetboek bedoelde beroepsgeheim zijn onderworpen, gelet op de aard van haar opdrachten, eveneens daadwerkelijk toegang heeft tot het betrokken document.“
Het arrest vindt u hier terug.





