Cass. 1 april 2026 – P.25.0906.F
In dit arrest verduidelijkt het Hof van Cassatie de reikwijdte van de taalwetgeving bij het opstellen van processen-verbaal in strafzaken. Het Hof oordeelt dat enkel het proces-verbaal dat het misdrijf vaststelt moet worden opgesteld in de taal van het taalgebied waar de vaststellingen plaatsvinden, overeenkomstig artikel 11 van de wet van 15 juni 1935.
Latere processen-verbaal die in dezelfde zaak worden opgesteld en betrekking hebben op bewijsgaring, verdere onderzoeksdaden of de identificatie van daders, zijn niet aan diezelfde taaldwingende regel onderworpen. Het Hof sluit zich daarmee aan bij de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en vermijdt dat verbalisanten door de keuze van de plaats van opmaak de taal van het dossier zouden kunnen sturen.
Deze rechtspraak is van praktisch belang voor de geldigheid van strafdossiers waarin meerdere processen-verbaal in verschillende onderzoeksfasen voorkomen.





