Orb. Antwerpen, afd. Antwerpen, 11 februari 2026, ongepubliceerd
25 maart 2026

Het onderstaande betreft een bespreking van een interessant vonnis uit de praktijk van één van de leden van de Expertengroep, momenteel nog ongepubliceerd maar ingediend voor publicatie. De Expertengroep zal u updaten zodra de gepubliceerde versie beschikbaar is.

PROFESSIONALITEIT & ERVARING OPDRACHTGEVER – PRECONTRACTUELE INFORMATIEPLICHT AANNEMER TEGENOVER OPDRACHTGEVER – INDUSTRIËLE GEBOUWEN – ONDERHOUD RWA-INSTALLATIE – TIENJARIGE AANSPRAKELIJKHEID VOOR STABILITEITSBEDREIGENDE GEBREKEN – WAARBORGTERMIJN EN REDELIJKE PROCEDURETERMIJN LICHTE VERBORGEN GEBREKEN – CONTRACTUELE MODULEERBAARHEID B2B.

Inleiding

In een geschil tussen een professionele opdrachtgever, gespecialiseerd in haveninfrastructuur, en een toonaangevende hoofdaannemer stond de aansprakelijkheid van de hoofdaannemer voor gebrekkig functionerende rookluiken centraal in het kader van een industrieel bouwproject.

Feiten

Een toonaangevende hoofdaannemer bouwde voor een professionele opdrachtgever in 2019-2020 een industrieel gebouw dat fungeert als terminal met daarin 7 bulkloodsen bestemd voor de opslag van bulkgrondstoffen. Voor de installatie en indienststelling van het rook- en warmteafvoersysteem (RWA) van het industrieel gebouw werd beroep gedaan op een onderaannemer. De installatie van de 154 rookluiken vond plaats in 2020, met indienststelling later dat jaar.

Vanaf 16.03.2021 stelde de opdrachtgever vast dat rookluiken spontaan opengingen, met risico op waterschade en met de overlast tot gevolg dat de rookluiken telkens manueel moesten worden gesloten. Op 07.05.2021 vond een interventie plaats door de onderaannemer.

Van 07.05.2021 tot en met 08.06.2022 bleef het stil. Sinds 09.06.2022 meldde de opdrachtgever dat de problemen met de rookluiken zich opnieuw voordeden en dat er verschillende kapotte persluchtcilinders zouden zijn. Tot en met 21.03.2023 meldde de opdrachtgever dit enkel aan de onderaannemer, sindsdien ook aan de hoofdaannemer.

Op 19.02.2024 vond tussen de partijen een rondgang plaats. Op 02.07.2024 voerde de onderaannemer een herstelpoging uit. Deze bleek evenwel ontoereikend. Uit het onderzoek van enkele kapotte persluchtcilinders bleek volgens de onderaannemer dat de cilinders niet de oorzaak waren, wel i) het gebrek aan onderhoud en gebruik van de rookluiken en ii) de aanwezigheid van vocht in de leidingen.

Vanaf 20.09.2024 tot en met 10.01.2025 stuurden de opdrachtgever en de hoofdaannemer en hun respectievelijke technische raadslieden verschillende brieven over en weer met hun standpunten. Opvallend: de opdrachtgever ontkende niet dat zij de RWA-installatie niet / beperkt zou hebben onderhouden. Zij was echter van mening dat de hoofdaannemer haar daarover had moeten informeren.

Op 20.06.2025 ging de opdrachtgever vervolgens over tot dagvaarding.

Vorderingen

De opdrachtgever meende dat de hoofdaannemer aansprakelijk diende te worden gesteld vanwege:

  • schending van de precontractuele informatieplicht m.b.t. de onderhoudsvereisten van de RWA-installatie;
  • aansprakelijkheid voor stabiliteitsbedreigende gebreken (art. 1792 en 2270 oud BW);
  • aansprakelijkheid voor lichte verborgen gebreken

en vorderde de veroordeling van de hoofdaannemer tot € 1,00 provisioneel, de kosteloze herstelling van alle rookluiken en de aanstelling van een gerechtsdeskundige.

De hoofdaannemer voerde in hoofdorde de niet-ontvankelijkheid aan wegens laattijdigheid, verwijzend naar een contractueel overeengekomen termijn van zes maanden na kennisname van het gebrek, terwijl de opdrachtgever de vermeende gebreken reeds sinds 2021 kende. Ondergeschikt betwistte de hoofdaannemer iedere vermeende fout en wees zij op de miskenning van de onderhoudsverplichting in hoofde van de opdrachtgever-professional.

Beoordeling

In hoofdlijnen motiveerde de Ondernemingsrechtbank van Antwerpen, afdeling Antwerpen haar vonnis van 11.02.2026 als volgt:

  1. geen inbreuk op precontractuele informatieplicht: de opdrachtgever is een professioneel gebruiker van industriële gebouwen. Er mag worden aangenomen dat zij vertrouwd is met de toepasselijke Belgische en Europese normen die betrekking hebben op RWA-installaties in industriële gebouwen. De aannemingsovereenkomst, opgesteld door de opdrachtgever zelf, verwijst uitdrukkelijk naar de toepasselijke Belgische norm NBN S 21-208-1. Ook het As-Built-dossier bevat meerdere bepalingen over de noodzaak tot onderhoud en bevat zelfs een voorstel tot onderhoudscontract als bijlage;
  2. geen sprake van een stabiliteitsbedreigend gebrek: de problematiek aan de rookluiken die zich voordoet betreft volgens de rechtbank een functioneel gebrek (een gebrek waardoor het gebouw niet geschikt is voor het normaal gebruik waartoe het door de opdrachtgever was bestemd), maar géén gebrek waardoor het gebouw of een belangrijk deel ervan op termijn zou kunnen tenietgaan. De problematiek valt zodoende niet onder de tienjarige aansprakelijkheid voor stabiliteitsbedreigende gebreken;
  3. contractueel bepaalde redelijke termijn voor lichte verborgen gebreken overschreden: zowel de waarborgtermijn als de redelijke proceduretermijn waarbinnen er moet worden gedagvaard vanaf de kennisname van een eventueel licht verborgen gebrek kunnen contractueel worden gemoduleerd. In dit geval werd die proceduretermijn overeengekomen op 6 maanden na de kennisname door de opdrachtgever van het gebrek. De contractuele waarborgtermijn bedroeg 1 jaar te rekenen vanaf de voorlopige oplevering. Nu de problemen zich voor het eerst manifesteerden in maart 2021 enerzijds en juni 2022 anderzijds, waren zowel de contractuele waarborgtermijn of proceduretermijn ruimschoots overschreden. Deze overeengekomen termijnen zijn rechtsgeldig.

Bovendien blijkt uit de argumentatie van de rechtbank dat de redelijke proceduretermijn hoe dan ook zou zijn overschreden, zelfs indien de partijen geen contractuele afspraken zouden hebben gemaakt:

Zowel de waarborgtermijn als de proceduretermijn werden ruim overschreden, dit geldt zowel voor de aangekaarte problemen gesitueerd tussen maart 2021 en mei 2021 alsook deze vanaf juni 2022. Er waren wel pogingen tot remediëring maar van concrete onderhandelingen om tot een voor alle partijen gunstige oplossing te komen ligt geen bewijs voor. In ieder geval moet het voor [opdrachtgever] al jaren voorafgaand aan de dagvaarding in 2025 duidelijk geweest zijn dat een minnelijke regeling niet meer tot de opties behoorde.”

Beslissing

De Ondernemingsrechtbank van Antwerpen, afdeling Antwerpen verklaarde de vordering van opdrachtgever dan ook niet-ontvankelijk en voor zover als nodig ongegrond.

 

Vicky Veraghtert

Expertengroep Bouwrecht