In een vonnis van 13 mei 2026 heeft de Ondernemingsrechtbank Gent belangrijke verduidelijkingen gegeven over de kwalificatie van fiscale schulden als boedelkosten bij de begroting van het ereloon en de kosten van de curator.
In het faillissement had de curator onder meer onroerende voorheffing voor het aanslagjaar 2020 opgenomen als boedelkost, hoewel het faillissement reeds op 7 januari 2020 was uitgesproken. De rechtbank volgt deze visie niet.
Zij benadrukt dat boedelschulden uitzonderingen vormen op het gelijkheidsbeginsel van schuldeisers en daarom strikt moeten worden geïnterpreteerd. De onroerende voorheffing ontstaat definitief op 1 januari van het aanslagjaar, ongeacht het tijdstip van inkohiering of kennisgeving. Bijgevolg kwalificeert de onroerende voorheffing voor het kalenderjaar waarin het faillissement wordt uitgesproken niet als boedelschuld, maar als schuld in de massa waarvoor aangifte moet worden gedaan.
Het betrokken bedrag van 1.433,78 euro werd dan ook uit de boedelkosten geweerd.
Daarnaast stelde de rechtbank vast dat de curator ook een aanzienlijke achterstallige registratiebelasting uit 2013 als boedelkost had geboekt. Omdat uit het dossier niet blijkt waarom deze oude fiscale schuld als boedelschuld zou moeten worden beschouwd, vraagt de rechtbank de curator om nadere toelichting alvorens een definitieve beslissing te nemen over de begroting.
Dit vonnis onderstreept het belang van een zorgvuldige en juridisch correcte afbakening van boedelkosten.
Het volledige vonnis vindt u hier.





