Neutraliteit in het provinciaal onderwijs en het dragen van levensbeschouwelijke symbolen: oordeel van het Vlaams Mensenrechteninstituut
24 december 2025

Op 11-12-2025 sprak de geschillenkamer van het Vlaams Mensenrechteninstituut, voorgezeten door E. Brems, een oordeel uit na een klacht te hebben ontvangen op 28-5-2025.

Het gaat om een geschil tussen een persoon die de islamitische religie aanhangt en de provincie Oost-Vlaanderen.
De klaagster werkte sinds 1-9-2022 als onderwijzeres van een niet-levensbeschouwelijk vak in een provinciale basisschool voor buitengewoon onderwijs. Het gaat om een basisschool die georganiseerd wordt door de provincie Oost-Vlaanderen. De klaagster draagt, ook tijdens haar onderwijsactiviteiten, een hoofddoek.

Op 27-9-2023 organiseerde de provincie Oost-Vlaanderen een onthaalmoment voor leerkrachten. Eén van de gedeputeerden van de provincie Oost-Vlaanderen was aanwezig op dit onthaalmoment. De gedeputeerde in kwestie merkte op dat één van de leerkrachten een hoofddoek op had. De directie van de school sprak de dame de dag erop over haar hoofddoek aan en meldde haar dat het dragen van een hoofddoek niet is toegestaan onder deontologische code voor het provinciepersoneel die een neutraliteitsverbintenis bevat.

Tijdens een later gesprek dat plaatsvond op 7-11-2023 tussen de onderwijzeres en de bevoegde gedeputeerde meldde de gedeputeerde aan de onderwijzeres dat het dragen van een hoofddoek in strijd is met de neutraliteitsverbintenis die geldt voor het provinciepersoneel. Er geldt enkel een uitzondering voor lesgevers islamitische godsdienst.
De gedeputeerde stelde een tussenoplossing voor: tijdens het schooljaar 2023-2024 zou de deontologische code niet worden toegepast, maar vanaf 1-9-2024 verwachtte de gedeputeerde dat de onderwijzeres met een oplossing zou komen.

In nog een later gesprek (van 16-4-2024) deelde de provincie aan de klaagster mee dat als ze de hoofddoek bleef dragen ze enkel les kon blijven geven in het provinciaal onderwijs als leerkracht islamitische godsdienst. De onderwijzeres kreeg een week de tijd om standpunt in te nemen. De lerares nam effectief standpunt in: op 23-4-2024 liet zij weten les te willen blijven geven, ook in niet-conventionele vakken, met de hoofddoek op.

Op 16-5-2024 startte de provincie een tuchtprocedure op tegen de lerares. De tuchtprocedure werd evenwel stopgezet op 10-10-2024 omdat de deontologische code, die zoals gezegd een neutraliteitsverbintenis bevat, niet van toepassing is op het gesubsidieerd personeel van het provinciaal onderwijs.

Mogelijks, mede in het licht van dit concrete geschil, paste het provinciebestuur het aanvullend personeelsreglement voor de gesubsidieerde personeelsleden van de provinciale onderwijsinstellingen aan. Hat aangepaste personeelsreglement bevat nu ook voor de gesubsidieerde personeelsleden van de provinciale onderwijsinstellingen een neutraliteitsplicht, met name is voorzien dat de personeelsleden geen religieuze of levensbeschouwelijke symbolen mogen dragen. Er wordt enkel een uitzondering gemaakt voor personeelsleden die levensbeschouwelijke vakken geven.

Het oordeel van de geschillenkamer

De geschillenkamer oordeelt dat het algemene verbod op het dragen van godsdienstige of levensbeschouwelijke symbolen niet voldoet aan de vereiste van evenredigheid.
Interessant is het oordeel van de geschillenkamer inzake het argument van het provinciaal onderwijs dat druk op leerlingen dient voorkomen te worden. Het provinciaal onderwijs wees er met name op dat de onderwijzeres tewerk is gesteld in het buitengewoon onderwijs en dat leerlingen die dit soort onderwijs genieten nog meer dan andere leerlingen beïnvloedbaar zijn door de handeling en de houding van leerkrachten.

In algemene termen stelt de geschillenkamer dat het loutere dragen van een hoofddoek of een ander levensbeschouwelijk symbool op zichzelf niet kan worden beschouwd als een daad van proselitisme of bekeringsdrang. De geschillenkamer verwijst hiervoor naar een oordeel van het mensenrechtencomité van de Verenigde Naties van 18-6-2015 (F.A. tegen Frankrijk).

De geschillenkamer stelt verder dat de provincie Oost-Vlaanderen niet aantoont dat de kleding van het onderwijzend personeel een centrale rol speelt bij het bewaren van de neutraliteit van het openbaar onderwijs. En voegt eraan toe dat de inhoud van het onderwijs, de houding en het discours van de school, en de uitspraken en gedragingen van het schoolpersoneel, elementen zijn met meer impact op de neutraliteit van het onderwijs dan de kleding van het onderwijzend personeel.