Misbruik van de wrakingsprocedure: duidelijke cassatierechtspraak
21 mei 2026

Cass. 21 april 2026 – P.26.0437.N, P.26.0438.N, P.26.0441.N en P.26.0442.N

In vier arresten van 21 april 2026 bevestigt het Hof van Cassatie op consistente wijze dat kennelijk ongegronde wrakingsverzoeken kunnen worden gesanctioneerd met een burgerlijke geldboete tot 2.500 euro op grond van artikel 838 Gerechtelijk Wetboek.

Het Hof preciseert dat een wrakingsverzoek kennelijk ongegrond is wanneer elk redelijk en voorzichtig verzoeker weet of moet weten dat het verzoek onmogelijk kan slagen, en wanneer het verzoek kennelijk tot doel heeft het verloop van de procedure stil te leggen of de goede werking van de rechtbank te ondermijnen. Dat de aanleiding tot het wrakingsonderzoek een door de verdediging uitgelokt procedure-incident was, doet daaraan geen afbreuk. Ook wanneer het incident formeel door de raadsman werd veroorzaakt, kan het wrakingsverzoek van de beklaagde zelf als kennelijk ongegrond worden beschouwd.

Het Hof benadrukt verder dat:

  • het recht om de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter in vraag te stellen geen absoluut recht is;
  • de sanctionering van misbruik van de wrakingsprocedure verenigbaar is met artikel 6 EVRM;
  • op de wrakingsrechter geen bijzondere motiveringsplicht rust voor het opleggen of het bedrag van de geldboete, wanneer geen specifiek verweer daarover werd gevoerd.

Deze arresten vormen een krachtig signaal tegen het strategisch of vertragend gebruik van wraking en onderstrepen het uitzonderlijk karakter van dit rechtsmiddel.