Interpretatie van bestaansmiddelen bij gezinshereniging
7 april 2026

Op 2 april 2026 (arrest nr. 38/2026) heeft het Grondwettelijk Hof uitspraak gedaan over de voorwaarden voor gezinshereniging met een Belg die zijn recht van vrij verkeer niet heeft uitgeoefend.

De kern van de zaak betrof de vraag of, bij de beoordeling van de vereiste toereikende bestaansmiddelen, enkel rekening mag worden gehouden met de inkomsten van de Belgische referentiepersoon zelf, of ook met die van het familielid dat zich wil herenigen.

Wat was het probleem?

In de praktijk werd vaak aangenomen dat bij gezinshereniging met een “statische Belg” uitsluitend de eigen inkomsten van die Belg meetellen. Dit leidde tot een verschil in behandeling met gezinshereniging met derdelanders, waarbij, volgens Europese rechtspraak, ook inkomsten van andere gezinsleden in aanmerking kunnen worden genomen.

Oordeel van het Hof

Het Grondwettelijk Hof oordeelt dat deze strikte interpretatie discriminerend is. Het is niet redelijk verantwoord om in alle gevallen de inkomsten van het familielid volledig uit te sluiten bij gezinshereniging met een Belg.

Volgens het Hof is het perfect mogelijk om de wet zo te interpreteren dat ook de stabiele en voldoende bestaansmiddelen van het familielid worden meegewogen. In die lezing is er geen schending van het gelijkheidsbeginsel.

Concreet gevolg

Dit arrest betekent dat bij gezinshereniging met een Belg:

  • niet langer automatisch alleen de inkomsten van de Belg mogen worden bekeken;
  • ook de inkomsten van de partner of het familielid in rekening kunnen worden gebracht, op voorwaarde dat ze stabiel en toereikend zijn.

Belang van het arrest 

Het arrest brengt de Belgische praktijk meer in lijn met Europese rechtspraak en versterkt het recht op gezinsleven. Het biedt bovendien meer kansen op gezinshereniging voor koppels die voordien werden uitgesloten omwille van een te strikte interpretatie van de inkomensvereiste.

Het volledige arrest vindt u hier.