In een belangrijk arrest van 23 april 2026 heeft het Hof van Cassatie duidelijkheid gebracht over de verjaringstermijnen in het verzekeringsrecht. Het Hof bevestigt dat de zogenaamde “absolute” termijn van vijf jaar in artikel 88 van de Verzekeringswet geen vervaltermijn is, maar wel degelijk een verjaringstermijn die vatbaar is voor stuiting en schorsing.
Achtergrond
De zaak betrof een geschil tussen verzekeraar Hiscox SA en het Museum van Hedendaagse Kunst Antwerpen over een verdwenen kunstwerk dat vermoedelijk in 2016 per vergissing werd vernietigd tijdens opslagwerkzaamheden. Het verlies werd pas later ontdekt en in 2020 aangegeven bij de verzekeraar.
De verzekeraar voerde aan dat de vordering verjaard was omdat meer dan vijf jaar was verstreken sinds het schadegeval. Volgens haar ging het om een absolute vervaltermijn die niet kon worden gestuit.
Wat zegt het Hof?
Het Hof van Cassatie volgt die redenering niet. Volgens het Hof blijkt uit de samenlezing van artikelen 88 en 89 van de Verzekeringswet dat ook de vijfjarige termijn een echte verjaringstermijn is. Daardoor kan die termijn worden gestuit, bijvoorbeeld door een tijdige aangifte van het schadegeval bij de verzekeraar.
Waarom is dit arrest belangrijk?
Dit arrest heeft een belangrijke impact voor de verzekerden én verzekeraars. Het bevestigt dat een verzekerde niet automatisch zijn rechten verliest zodra vijf jaar verstreken zijn sinds het schadegeval. Wanneer de verjaring correct werd gestuit of geschorst, kan een vordering alsnog ontvankelijk zijn.
Het volledige arrest vindt u hier.





