Grondwettelijk Hof buigt zich over rechtsbescherming van "malafide derden" bij huiszoekingen
19 mei 2026

Het Grondwettelijk Hof zal zich uitspreken over een belangrijke prejudiciële vraag inzake de rechtsbescherming van zogenaamde “malafide derden” in het kader van strafuitvoering en vermogensonderzoeken.

De vraag werd gesteld door de strafuitvoeringsrechter van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen en heeft betrekking op verschillende bepalingen van het Wetboek van Strafvordering over onderzoekshandelingen, waaronder huiszoekingen.

Centraal staat de vraag of een persoon die door het parket als vermeende “malafide derde” wordt geviseerd, voldoende rechtsbescherming geniet wanneer hij de wettigheid van een huiszoeking wil betwisten.

Volgens de prejudiciële vraag kan die persoon momenteel enkel terecht bij dezelfde strafuitvoeringsrechter die eerder zelf de machtiging tot huiszoeking heeft verleend. Bovendien gebeurt die beoordeling in eerste en laatste aanleg, zonder mogelijkheid tot hoger beroep.

Het Grondwettelijk Hof moet nu onderzoeken of die regeling verenigbaar is met onder meer:

  • het recht op een eerlijk proces,
  • het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel,
  • en de vereisten van onafhankelijkheid en onpartijdigheid zoals beschermd door het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

 

Meer informatie vindt u hier.