Game over? Het eindverslag als knock-out voor incidenten in het deskundigenonderzoek
3 juli 2026

Elke advocaat en/of partij die betrokken is in gerechtelijke deskundigenonderzoeken wordt er vroeg of laat mee geconfronteerd: een incident dat aanleiding geeft tot een verzoek conform artikel 973 § 2 Ger.W. Deze bijdrage beoogt geen uitgebreide analyse van artikel 973 § 2 Ger.W., maar spitst zich toe op één specifiek item: de impact van het eindverslag op incidenten in het kader van een deskundigenonderzoek.

Aanleiding van deze bijdrage is een concrete casus waarin een van de partijen op 23 april 2026 een verzoek conform artikel 973 § 2 Ger.W. neerlegde en de gerechtsdeskundige daags nadien, op 24 april 2026, zijn eindverslag neerlegde. Het hof van beroep Antwerpen heeft in deze casus met een arrest van 20 mei 2026 (2024/AR/1148 en 2024/AR/1414, onuitg.) geoordeeld dat het verzoek conform artikel 973 § 2 Ger.W. zonder voorwerp was geworden omdat op het ogenblik waarop het hof uitspraak moest doen, het eindverslag was neergelegd en de opdracht van de deskundige daardoor was beëindigd.

De analyse van het hof van beroep Antwerpen is in lijn met de rechtsleer en de rechtspraak van het Hof van Cassatie, die stelt dat de saisine van artikel 973 § 2 Ger.W. geldt voor “geschillen in de loop van het deskundigenonderzoek met betrekking tot dit onderzoek” en maar zo lang kan duren als het deskundigenonderzoek zelf. Nadat het eindverslag is neergelegd en de opdracht van de deskundige is beëindigd, is de rechtsmacht van de controlerechter krachtens artikel 973 Ger.W. uitgeput (1).

Op het eerste zicht en voor het gros van de incidenten die aanleiding kunnen geven tot een verzoek conform artikel 973 § 2 Ger.W. is dit logisch en roept dit geen bijzondere vragen op.

Het wordt interessanter en minder vanzelfsprekend wanneer het incident conform artikel 973 § 2 Ger.W. (zoals in de casus die aanleiding is van deze bijdrage) gaat over de werkwijze van de gerechtsdeskundige en het verzoek van één van de partijen tot opmaak door de gerechtsdeskundige van een aanvullend voorverslag. Door het principe dat de rechtsmacht van de controlerechter krachtens artikel 973 Ger.W. eindigt wanneer het eindverslag is neergelegd, (te) strikt toe te passen, wordt niet alleen erg veel macht aan de gerechtsdeskundige gegeven, maar wordt ook een kans gemist om het proceseconomische verloop van procedures te bevorderen. Immers, de partij van wie het verzoek conform artikel 973 § 2 Ger.W. zonder voorwerp werd verklaard, zal de bewijswaarde van het deskundigenonderzoek in de verdere procedure ten gronde aanvechten, met mogelijk een aanvullend of nieuw deskundigenonderzoek tot gevolg. Daarnaast is de window of opportunity soms klein. Een partij zal doorgaans de controlerechter maar vatten na neerlegging van het voorverslag: bepaalde discussiepunten worden dan pas duidelijk, en bij neerlegging van een verzoek vooraf daaraan kan de controlerechter opmerken dat eerst het voorlopig advies van de gerechtsdeskundige moet worden afgewacht. Het is ook maar de vraag of het de bedoeling van de wetgever was om aan gerechtsdeskundigen de mogelijkheid te geven zich te onttrekken aan de saisine van de controlerechter door snel een document met de titel ‘eindverslag’ neer te leggen.

Vraag is dan wat wel een oplossing zou kunnen zijn. De rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen heeft hier mogelijk (in een andere zaak) een aanzet toe gegeven. In een vonnis van 6 juni 2025 (24/2246/A, onuitg.) heeft deze rechtbank ook uitspraak gedaan over een incident in het kader van artikel 973 § 2 Ger.W. De vraag die toen aan de rechtbank werd voorgelegd ging over een voorverslag van een gerechtsdeskundige waarvan één van de partijen betwistte dat het om een formeel voorverslag ging. De rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen heeft terzake geoordeeld dat het betrokken verslag beschouwd moest worden als een tussentijds verslag en niet als een voorlopig verslag.

Het lijkt moeilijk om deze rechtspraak één op één toe te passen op onze casus omdat de rechtbank in eerste aanleg nog niet geconfronteerd werd met een eindverslag en dus wel nog steeds de saisine van de controlerechter had. Dit vonnis van de rechtbank van eerste aanleg toont anderzijds wel aan dat het niet is omdat de gerechtsdeskundige zijn/haar verslag de titel ‘voorverslag’ geeft, dat dit juridisch gezien ook correct is. Dit geldt o.i. des te meer voor een eindverslag, dat een veel grotere impact heeft op het deskundigenonderzoek in vergelijking met een voorverslag.

T. TOREMANS suggereerde in zijn noot onder het arrest van het Hof van Cassatie van 26 januari 2017 (2) reeds een wetgevend initiatief en een opname in de deontologische code van de gerechtsdeskundigen wat betreft de impact van de neerlegging van het eindverslag op een verzoek tot wraking van de gerechtsdeskundige. Een gelijkaardig wetgevend initiatief, al dan niet gecombineerd met een bijkomende bepaling in de deontologische code van de gerechtsdeskundigen (3), waarin inhoudelijke vereisten (4) worden bepaald om juridisch te kunnen spreken van een eindverslag kan een eerste stap zijn. Op die manier hebben de rechters alvast meer handvaten om een evenwicht te vinden tussen enerzijds de procedureregels en anderzijds de ratio legis van artikel 973 § 2 Ger.W., zijnde een (kwaliteits)controle op het verloop van het deskundigenonderzoek.
Tot dan zal de timing van een verzoek conform artikel 973 § 2 Ger.W. goed overwogen moeten worden: vooraf aan neerlegging van het voorverslag of gedurende de termijn voor opmerkingen i.p.v. daarna geeft een bepaalde mate van bescherming, maar zeker dat tweede geeft geen zekerheid. Hoe vroeger hoe beter, maar evident zonder te vroeg te handelen. Dit zal een moeilijke evenwichtsoefening blijven.

Els Op de Beeck
Expertengroep Bouwrecht Balie Antwerpen

(1) Cass. 26 januari 2017, TBO 2018/1, 29, noot T. TOREMANS; B. VAN DEN BERGH, “Hoger beroep tegen een gemengd vonnis dat een onderzoeksmaatregel beveelt: wie is dan de geschillenrechter in de expertise”, (noot onder Cass .30 januari 2024), RW 2015-16, nr. 20, 792.
(2) T. TOREMANS, “De procedurele gevolgen van de neerlegging van het eindverslag van de gerechtsdeskundige”, noot onder Cass. 26 januari 2017, TBO 2018/1, 29.
(3) KB 25 april 2017 tot vaststelling van de deontologische code van de gerechtsdeskundigen in toepassing van artikel 991quater, 7°, van het Gerechtelijk Wetboek, BS 31 mei 2017.
(4) Artikel 978 Ger.W. voorziet enkel in een aantal vormvereisten, waarbij ook geen sanctie voorzien is voor het geval hier niet aan voldaan wordt.