In een vonnis van 5 mei 2026 heeft de Ondernemingsrechtbank Gent verduidelijkt hoe het ereloon van een voorlopig bewindvoerder moet worden behandeld in een later faillissement.
In het faillissement had de curator bij de begroting van haar kosten ook het ereloon van een voorlopig bewindvoerder, aangesteld op basis van artikel XX.32, §6 WER, opgenomen als boedelkost. De rechtbank volgt deze benadering niet.
Zij benadrukt dat het ereloon van een voorlopig bewindvoerder geen boedelschuld is. Artikel XX.32, §6 WER bepaalt uitdrukkelijk dat de voorlopig bewindvoerder voor zijn onbetaald ereloon schuldeiser wordt in het faillissement, met een bijzonder voorrecht op grond van de Hypotheekwet. Dit betekent dat hij aangifte van schuldvordering moet doen en enkel via een dividenduitkering kan worden betaald.
Door deze kwalificatie strikt toe te passen, beschermt de rechtbank het gelijkheidsbeginsel tussen schuldeisers en verhindert zij dat bepaalde schulden ten onrechte als boedelkosten worden aangemerkt.
Dit vonnis is een nuttige reminder voor de insolventiepraktijk dat niet elke kost verbonden aan een voorafgaande beschermingsmaatregel automatisch een boedelkost is, en dat de wettelijke regeling van boek XX WER strikt moet worden nageleefd.
Het volledige vonnis vindt u hier.





