Cass. 17 maart 2026 – P.26.0026.N, P.26.0057.N en P.26.0068.N
In drie samenhangende arresten van 17 maart 2026 verduidelijkt het Hof van Cassatie de draagwijdte van artikel 7 Strafwetboek en de vereisten inzake de motivering van de straf en proportionaliteit.
Vooreerst bevestigt het Hof dat wanneer een overschrijding van de redelijke termijn wordt vastgesteld, de strafrechter beschikt over een ruime en onaantastbare beoordelingsvrijheid wat betreft de wijze van remediëring. De rechter is niet verplicht een eenvoudige schuldigverklaring uit te spreken en mag ook kiezen voor een reëel en meetbaar mildere straf, zolang hij binnen de wettelijke grenzen blijft.
Het volledige arrest vindt u hier.
Daarnaast preciseert het Hof dat voor feiten waarop een maximale gevangenisstraf van zes maanden staat, een effectieve gevangenisstraf slechts kan worden opgelegd indien de rechter uitdrukkelijk vaststelt dat de wettelijke alternatieven (werkstraf, elektronisch toezicht of autonome probatiestraf) niet mogelijk zijn. Het nalaten van dit onderzoek leidt tot wetschending.
Het volledige arrest vindt u hier.
Ten slotte oordeelt het Hof dat artikel 7, §2 Strafwetboek de rechter wel verplicht rekening te houden met de proportionaliteit van de straf en met eventuele ongewenste neveneffecten, maar geen autonome motiveringsplicht creëert. Enkel wanneer de beklaagde deze neveneffecten uitdrukkelijk als dusdanig aanvoert, moet de rechter daarover gemotiveerd standpunt innemen op grond van artikel 149 Grondwet.
Het volledige arrest vindt u hier.





